Chaos 60, schilderij van Herman van de Poll
het schilderij 'Chaos 60' van Herman van de Poll

Er is een merkwaardige energie van schuivende lagen in het totale gebeuren, lagen die net genoeg afstand van elkaar nemen om energetisch te zijn; dat schept openheid, dynamiek. Maar nog blijft, is het een valstrik? Kom ik er wel levend uit?
Waar zal ik beginnen te gaan? Er is een overeenkomst tussen mijn vinnengezwaai en de atmosfeer in het schilderij.
Er is een voorste zeker en helder punt, links met de zwarte figuratie, het ligt ondubbelzinnig vooraan, zal ik dat maar vertrouwen? Het lijkt eerlijk en met een zekere robuustheid, een zekere agressie. Daar onderscheidt het zich mee, dat geeft vertrouwen. Een wegwijzer staat immers ook zo maar ongenaakbaar op een kruispunt, zijn stang tegen de lucht.
Ik ga….. door het heldere gat met contrast, en weet dat ik naar de open sfeer linksboven wil gaan. Dat trekt me, daar ademt er ruimte, kan ik mijn vinnen bewegen. Ook het midden van de zachte achtercirkel zuigt me aan. Maar, kan ik achter alles langs gaan, is het zo simpel? En dan in de linkse ruimte boven weer naar boven komen? Te simpel, toch?!
De zwartlijnige fantoomvormpjes rechts boven vetrouw ik niet, die moet ik vooralsnog mijden. Ondertussen raak ik een beetje bedwelmd door het elegante kantwerk in het blauw, het speelt als het ware tikketje met de horizon, het is sculptuur, kant, bevallig.
Er komt een vraag op: waar raakt voorwand de achterwand, ik zie smeltpunten waarin ze verweven raken; daar moet ik niet zijn, daar is geen ruimte voor mijn vinnen. Ik blijf het echter intrigerend vinden, is het een schildervraag? Waar raakt de voorstructuur de achterwand, of zijn ze los van elkaar? Het is wellicht een te oud geformuleerde vraag, hij gaat uit van vlakken van plans. Ik wil de controle houden, ik wil vragen kunnen stellen die me structuur geven, houvast in hoe te kijken. Als ik dat nu eens los laat?
Ik voel een soort van scheefheiddynamiek, die aan me trekt, als een zeepbelhuid die een beetje naar één kant uitdijt, overhangt. Maar het kruis dat de ruimte doorsnijdt is te zwaar om me hierin te laten meegaan, ik wordt nieuwsgierig naar de energieverhouding van die zeepbelhuid ,aar het kruis blijft daar jammer genoeg tussen als een barrière.
Maar terug naar mijn realiseren dat ik oude vragen stel. Je schilderij heeft juist geen wanden, geen plans, het is immers opgebouwd uit ruimte. De ruimte is de materie van het geheel, van de constructie, nee, geen constructie, fout woord, ook te oud te vanzelfsprekend.
Waar moet ik in godsnaam naar toe gaan, welk doel kan ik me stellen? Desnoods alleen maar als een soort van rondvaarttochtje, dan moet je toch ook een boot kunnen kiezen: wel over het IJ, niet over het IJ. Maar je maakt geen toeristische routes Herman, en aan de andere kant is het ook niet zo dat je slechts visuele labyrinthen maakt. Daarvoor is de energetische verhouding, het veld van verschillende energiewaardes te fascinerend. Het is alsof ik niet zozeer de gaten en de structuren tot me moet laten spreken, maar veel meer me openen voor de energievelden, een kompas gebruiken dat als het ware ademt, op adem loopt en reageert, op verdikkingen en verdunningen van lucht.
Stik ik? Nee, ik wordt daar niet radeloos van, er is geen dreiging tot stikken. Ik kan overal zwemmen als ik wil, ik ben door het geheel tot vis gemaakt. Maar ik moet mijn huid gebruiken om de zachte nuanceverschillen in druk te voelen. Een vissenhuid is een onmetelijk gevoelig sensorapparaat. Ik moet minder kijken en meer de drukverschillen voelen.
Is er wellicht te sterke balans? Is het daardoor dat ik niet kan zwerven, dat ik die uitnodiging niet ervaart en nog steeds bij het zwarte raster hangt? Ik wil even ergens naar toe, maar dan is er daar meteen ook iets wat die noodzaak opheft. Er is dynamiek maar die drijft me niet ergens heen. Die heeft niet zozeer een richting, een stroming. Ik blijf waar ik ben, en van daaruit bekijk ik de rest. Ik zie wonderlijke werelden, althans, ik vermoed ze, maar ik ga niet op pad erheen. Vooralsnog.
Maar, dit is pas mijn eerste daadwerkelijke zwerftocht, Herman. Hoe sensibel ben ik al? Ik geniet van het brutale en toch fijne en open zwart dat zo brutaal met zijn structuur op me afkomt, en oneindig ver verwijderd lijkt van de zachte lagen erachter. Misschien stel ik nog te oude vragen; ik houd die mogelijkheid open. Ik weet dat je nieuwvisueel domein voor me opentrekt waar ik aan moet wennen.