Chaos 66, een schilderij van Herman van de Poll
Een verkennende tekst op
het schilderij 'Chaos 66' van Herman van de Poll

Pas nu dringt de titel van je schilderij goed tot me door, omdat ik die maar niet ervaar: Chaos. Hoezo Chaos? Ik ervaar geen chaos, geen botsende krachten en daarmee willekeur. Zoals het terugspatten van de straat uit de waterkraan wel chaos is. Het doet me hoogstens denken aan de rimpelkringen in het water beneden als er verschillende eenden hun waterspoor door elkaar laten lopen.
De eenvoud trekt me erg aan in de Chaos-66 en het bijna prozaïsche ervan, het nuchtere. Geen bedwelming, zo op het eerste gezicht. Geen vervoering in me, maar wel een soort praktische fascinatie. Het lijkt te komen doordat de lagen hier minder vaak aan elkaar smelten, in elkaar knopen of vervliegen. Er is een soort duidelijkheid waar ik op terug kan vallen. Naast en boven de onduidelijkheden die ik ook meteen ervaar, linksonder, wat een vreemd contrast hebben die twee lagen. Is dat een oefening? Of moet ik een sprong maken. Het lijkt dat ik hier meer dan bij de 60 zelf moet springen, maar ik weet wel zekerder dat er hier en daar een reling is om me aan vast te grijpen, zoals boven op de Alpentop, de Sentis van die ijzeren grepen in de rotswanden langs het pad zaten waar ik me met mijn hoogtevrees dankbaar aan vastgreep, een hele oude ijzeren reling, maar scherp aanwezig.
Terug naar het begin: hoezo Chaos, in dit schilderij, in deze ruimte?
Er zit een on-evenwicht in, tussen de lagen, met name voelbaar daar linksonder van het midden waar de ene structuur de andere niet lijkt te grijpen. Handen die elkaar niet weten te vinden, val ik in het ravijn? Of meer een stuk waar ik zelf zal moeten springen? Dus hier inderdaad een zekere chaos, ik weet niet goed hoe ik van linksonder naar de gatenstructuur moet komen. De gatenstructuur zelf geef me de sensatie van tv-schermen, projectievelden. In moderne indianenkunst in Canada zag ik ook die vensters, midden in de buik (of op) van een hert, met daarin een ander tafereel. Er gaat nu ineens meer stromen. Ik denk meteen aan de meridianen, aan de onzichtbare energie, aan het energielichaam van onszelf. En aan de verleiding om die onzichtbare energiebanen zichtbaar te willen maken en te willen aantonen.
Dus zitten we bij de kwantumsprong, sorry Herman. Het essentiële is dat bij kwantum er sprake is van niet òf òf maar èn èn. Pas als ik beslis tot kijken komt er één van de twee als realiteit voor me te bestaan, op dat doodenkele moment zelf. Ik bedoel dat niet als relativering van ieder wat wils, maar wel is er samenhang met die sprong, die noodzaak tot springen van daarnet. Er zijn twee onverenigbare energievelden (misschien wel een energie- en een ruimteveld) en daar moet gesprongen worden van één realiteit naar een andere, zonder dat de eerste realiteit garantie kan bieden tot het bereiken en goed landen in de tweede: je beproeft me. Hard of mild? Meedogenloos of met mededogen?
Enkele jaren geleden zei ik tegen mezelf (zo voor onze Trialoog uit 2007): we zijn bezig met de onzichtbare structuren, om daar visuele voorstellen over te doen. Het klinkt een beetje wetenschappelijk en droog, maar toch. Ik las in een boek kortgeleden hoe het oude atoommodel eruitzag rond 1910 en toen in korte tijd later er ineens dat ons bekende atoommodel tevoorschijn kwam in het denken (en verbeelden dus) van die kleine kern, met die waanzinnige ruimte en daar draait dan iets nog kleiners omheen. En wij ervaren het als de houten poot van de tafel.
Ik weet bijna zeker dat we bezig moeten zijn met het verbeelden van die dingen die onzichtbaar zijn. Dat zit gewoon in de evolutie opgenomen als stap.
Ik vind met mededogen, want je doseert. Zoals ik afgelopen zondag ook bij Giacometti zag dat hij doseerde. En zoals Francis Bacon dat juist niet doet. Ik moet springen, maar ik word niet opgejaagd, en de sprong is te doen. Het is een sprong naar mezelf toe als element van alles, en niet een sprong van me af in de wrede ontkenning van mij als menselijk element in het geheel.
Wonderlijk hoe die zwartlijnige voorstructuur (rechterhoek boven zit ie aan vast dat ie niet zweeft, gelukkig!) als een soort van lenzenstelsel werkt, als verscherping van waar je daardoorheen naar kijkt. Je kan ze ahw zelf scherp stellen, al kijkend. Ik moet wel zelf de plaats van die structuur bepalen. En nu ontdek ik dat ik ze niet zelf alleen kan scherp kan stellen, maar dat jij een paar grote doorkijken heel subtiel heb vervaagt, lichter gemaakt. Ophellen, met bovendien een teint van oker erin… lijkt me. Dat deden die Indianen met hun venster dus ook, alleen zij benutten de uitgespaarde vorm als een projectiescherm, jij als een kijkgat, een lens. Maar bij jullie allebei krijg je een licht val-effect. Weet je nog als je in het zwembad in het diepe keek, dat deed anders aan dan het ondiepe. Er kwam meer zweem in.
En daardoor kijk ik dus door de structuur heen, en ook weer niet, ik deins ook lichtjes terug, en ik kijk weer opnieuw: heen en weer, heen en weer…….
Heel anders: ik zit in mijn F-16, ik zie mijn bommen vallen, ik kijk naar beneden. Geruststellend beeld, er kan niks echt fout gaan. Simulatie?
Of nog dichterbij: ik repareer in mijn ruimtepak aan de Hubble-space, je weet wel, die grote verrekijker in de ruimte. En er glijdt een sleutel uit mijn handschoen. Majestueus zweeft die langzaam van me weg in een bijna bewegingsloze beweging. Een beweging die zichzelf ontkent. Er is slechts ruimte immers. Of er is geen vergelijk, dat komt dichterbij. En daar doseer je in, want je geeft duidelijke lenzen in je werk. Er is niet slechts zwevende ruimte.
Er zijn lichte geboortevormen daar linksonder, aanzetten tot iets. Is dat de stofwisseling van het werk, opkomen vanuit het niets, vorm aannemen en dan weer wegglijden in de vervaging?