mijn eigen werk na-kijken (1)
Mijn eigen werk achteraf na-kijken en beoordelen (1)
6 augustus 2011: over mijn gouache Twisting ( gemaakt in 2009)

(donkere partij rechts is iets te helder en te open afgebeeld, hier)
eerste reactie bij het na-kijken door mezelf:
jammer daar van rechtsboven, te weinig helder. Maar dan: nee, want dan zouden de twee helften van het beeld weer veel te duidelijk in het veld van het vel komen te staan, zonder die waas daarboven.
wat is nou eigenlijk de relatie tussen (lege) veld en het beeld?
moerassig beeld, ik moet zelf met mijn ogen gaan onderscheiden…..
een beweging zie ik gaan van linksonder naar rechtsboven, een waaier-uitvouwing…
links vraagt om erin te gaan (met mijn ogen), rechts niet of nauwelijks (een beetje links van rechts, daar in het midden de twee lussen wat open met een licht verzoek, daartoie, dat schept ook meteen de binding tussen rechts en links)
Erg gecompliceerd beeld, mooi dat geel wat overal doorheen dwaalt. Mooi?, ik bedoel net als vroege herfst op de grond, blad. Het dwaalt door alles heen…
gelukkig dat het beeld rechtsboven en links opzij zacht uitloopt. Een doorgaand aarzelend iets in de vorm. Doet zo mee met het open midden van links. Adem van ruimte, gedoseerd.
Rechts is te zwaar, te dicht… (in het echt dichter dan op de digitale foto) en toch ook die schilderverhouding daarbinnen nog onderscheidbaar tussen roze en paars. Geel schrijft erdoor tot groen en klampt aan bij het gedeisde groen van het linkerbeeld links. Rechts is een parameter op links, werpt links uit en open, juist omdat het beeld rechts zelf verticaal staat, stevig!
Links bevraagt rechts weer, wat ben je, waar sta je (voor)?. Je staat, maar waartoe? Ik adem, jij lekker niet….. Ik fliert en fluit, en jij staat te grommen in jezelf.
Twee identiteiten, twee longen. Ik kies meteen voor de linkse. Maar rechts maakt links helder en uitgesproken. Zonder rechts geen helderheid van links, maar soep, moerassoep. Rechts laat links helder uitwerpen nar rechts. Geen royaal gebaar trouwens van links, maar wel open, eigen gebied – open. Oh, nee, helemaal niet zo open, wel in de diepte-as, je mag binnekomen met je ogen maar wel langs de controle-hekjes, zoals in het Joods museum. Dwingend daar links en dan okay, open. Rechts biedt zich direct aan, weliswaar meteen de hoek om eenmaal binnegekomen, maar je mag meteen door:naar links, de open suite in.
Rechts is eerlijker. En links toont zich erin mee, okay.
Het gehele beeld wordt steeds kleuriger naarmate ik er langer naar kijk. En ik krijg al doende meer verlangen om ernaar te kijken. Meer en meer. (Het is grijs benauwd zomerweer en de gay-parade komt binnen door het raam, vanaf de boten, amsterdam).
Het moeras is nu weg als ik naar de gouache kijk. Duurt dus twintig minuten…. Ik zie hem nu meteen, ‘structuur’? Nee, wel zijn aanwezigheid: het er zijn. Het is er, als beeld?, Nee, het is er gewoon,… want ik kijk en ik zie het dat het er is, meteen. Nu!.
Het gehele beeld wordt nu bijna een sign, een mark, een frontaal zich opstellend sign voor mijn ogen.
Het beeld is erg krachtig. Alles onderscheid zich, daar binnenin. Ik wordt ineens zo getroffen door zijn schoonheid.
Wie zet wie aan het werk, aan het kijken?
Doet de gouache mij kijken? Ja!! Maar nu kan ik mijn ogen op één stand houden, het gehele beeld zien en omvatten met mijn ogen. Hoef niet meer te dwalen erdoorheen. WAT IS DAT VOOR EEN MOMENT??
Steeds meer, maar zonder mijn voorafgaande kijken was het er niet. Het licht in het atelier wordt – eerlijk gezegd – ook steeds wat helderder.
Ik kan hem in één beweging omvatten, maar hij blijft me rechtsboven wel ontsnappen; ik houd hem niet vast door die vagere bovenkant daar rechts.
Ik begon dus hem te zien met het idee, die vernietig ik!! Maar hij is daartoe te helder en te eigen in zijn zijn. Op geen enkele manier wordt hij ook door het omringende veld van het vel gesmoord of getemd; getemd ja, enigszins. Maar hij is even sterk aanwezig als het gehele veld. DUS: dus beeld en veld roepen elkaar in hun bestaan op. Dat is ook letterlijk, bijna ontologisch zo, beeld-ontologisch. Zonder het omringende lege papier was er niet het zijn van het beeld. (trouwens, het vel papier doet helemaal niet zo leeg, het is er niet als de geschilderde vormen.
Maar het beeld op zijn wijze duwt het veld papier aan tot een ‘vorm’, in ieder geval tot een staande aanwezigheid. Ik vind het verbluffend hoe op het zijns-nivo die twee elkaar laten zijn, maar zo on-voorstel-baar (niet eens gebonden aan elkaar, maar… hoe zeg je dat: het blijven er twee, maar ze zijn zo …. ze veronderstellen elkaar, dat is het! Ze veronderstellen elkaar. Wat een krankzinnig woord eigenlijk, zo gebruikt… Ze zouden niet zijn zoals ze nu zijn zonder lekaar. Elke verandering bij één van de twee werkt door naar de ander.
Ik vind dat een ongelofelijk geheim, zo aan de onderkant van het aanwezig zijn, die verhouding van beeld tot zijn veld. Het lijkt erop dat in mijn werk die verhouding er ook duidelijk moet zijn, anders valt het hele ding voor mijzelf als waarde weg! Het is bestaansvoorwaarde, werkelijke beeld-ontologie. Die bestaat dus; beeld-ontologie! Dit is het teken ervan.
Ik begin me dit nog maar net te realiseren, en bijna geheel nog niet te begrijpen; het gegeven dient zich vooralsnog slechts aan bij me en dan ook emotioneel. Er gaat een verbazende kracht van uit. En wellicht zo duidelijk te zien (ook bij Daan Lemaire, en bij Ben Vollers iets minder scherp. Wellicht omdat hij meer tonaal werkt?) omdat ik in mijn werk vanuit die lege papieren omringing rondom het beeld (zoals hier) vanaf 2010 naar doorsnijdingen en doorgangen van dat veld ben gekomen; soms horizontaal, soms verticaal, soms is het beeld alleen maar enigszins opgehangen aan de bovenrand van het vel. Een heel andere visuele ontologie ontstaat er dan, er is dan een geheel ander veld aanwezig. En dan opnieuw gedefinieerd (nee dus, gelul: niks gedefinieerd!) bepaald door het beeld dat snijdt of ….. coupeert….
Ik vind het mooi dat ik na een korte kijk-pauze toch weer de soep-kant van het beeld kan zien, de moeras-kant. Ook dat is fascinerend, hoe kan een beeld na een andere kijk-ontmoeting toch weer daartoe ruimte bieden? Ook dat is blijkbaar het karakter van dit specifieke beeld.
Toch is het beeld ook een beetje een druktemakertje, hij wil graag aanwezig zijn binnen het veld, en heeft wellicht minder te bieden dan het suggereert? Doordat hij het hele veld zo sterk bepaalt in zijn aanwezigheid. Een flinke visuele prater! Hoe hij dat hele veld vastlegt, zodat het veld zich nauwelijks meer kan bewegen. In die zin is de gouache erg sterk gestolde beweging. Linksboven is het veld nog het meest vrij, en links onder. Daar duwt het veld het beeld naar een bepaalde plek. Dat is niet de kracht van het beeld maar de kracht van het veld…. Het linker-beeld is aangegroeid op het veld (toegelaten en groeiend ontstaan, dus veel meer verweven met het papieren veld), terwijl het rechter-beeld zich zelf gewoon neerzet; daardoor schuiven linker- en rechter-beeld ook bijna achter elkaar langs. Ze stellen elkaar ter discussie, bevragen elkaar behoorlijk. Wie ben jij dat ik niet ben? Wie ben jij niet dat ik wel ben?
Er is dus eigenlijk niet één beeld. Ze wringen, die twee. Ze schuren. Duwen wat of willen elkaar passeren en bepaald niet zo vanzelfsprekend als over elkaar schuivende wolklagen. Maar juist daardoor is het totale ‘beeld’ wel werkzaam van binnen. Het valt niet in zichzelf geheel samen, hoewel ik dat graag als een ‘klare’ eis stel aan mijn eigen werk. Een eis die erg kan tegenvallen visueel als hij teveel gevolgd wordt.
Het is mooi en fascinerend en dus ook behoorlijk verwarrend hoe eenzelfde beeld voor mijn ogen heen en weer pulseert, en ik het niet visueel niet lang kan vastleggen in hoe ik ernaar kijk. Zelfs één Ik al niet, laat staan !! Subjectief, door mijn verandering in emotie? Of het beeld, zijn werkzaamheid, zijn…… presenteren….? Heeft het erg veel zin om die twee te willen onderscheiden? Dat heen en weer gaan is nauwelijks vast te leggen, ook die twee veronderstellen elkaar.
De gouache is droog, heeft een korrel overal die egaliseert. Er is geen glans en geen geslotenheid in het oppervlak. Net als het veld heeft alle verf een korrel die het van het vel overneemt of die het zelf aanmaakt als de verf er dik of overgeschilderd op komt. Verf is heel gauw een mimicry van de korrel van het papier, zeker waterverf, dun gebruikt. Daar ligt ook het materiele... Ik houd ervan als het beeld ook materie is.